Aantal besmettingen door virussen lijkt toe te nemen

Het aantal besmettingen door virussen lijkt de afgelopen jaren toe te nemen. Een infectie kan heel sluimerend de groei remmen maar ook heel snel grote schade veroorzaken. Een virus is in de plant zelf niet te doden en daarom moet u preventieve maatregelen nemen. In dit artikel vindt u informatie over virussen en wat er tegen te doen is.

Wat is een virus

Virussen behoren tot de kleinste infectieuze organismen. Een virus bestaat uit een RNA of DNA streng met soms een klein eiwit eromheen. Het virus DNA wordt door de plant afgelezen en zo maakt de plant voor het virus eiwitten en nieuw DNA. De overproductie van virus kost de plant veel energie. Een virus overleeft alleen in levende plantencellen. Lang niet alle virussen zijn bekend, het kan dus zijn
dat wel virus wordt aangetoond op toetsplanten, vanwege de gewasreactie, maar dat geen naam gegeven kan worden.


Foto van virussen onder een electronenmicroscoop. Deeltjes zijn 50 nm groot. Dan gaan er 20.000 in 1 mm (1nm = 1 miljoenste millimeter).

Verspreiding van virussen

De meeste virussen gaan dood buiten de plant en moeten zich dus verspreiden via het plantsap of insecten. Het verspreiden van plantsap gaat via messen, de handen en zelfs via kleding. Het plantsap uit een wond van een plant wordt overgedragen in een wond bij de volgende plant. Met magere melk worden de virusdeeltjes ingekapseld in het melkeiwit en zijn niet meer infectieus. Daarnaast kunnen virussen door insecten worden overgedragen. Dit kan persistent, het hele leven van het insect, of non persistent, tijdelijk. Het doden van de insecten is noodzakelijk en voorkomt verspreiding van het virus.

Plantreactie

Een plant reageert soms heftig op een virus. Dit is te zien als een gele ring en later door afsterven van het weefsel. In veel andere planten kan het virus zich gewoon door de plant verspreiden en in kleine aantallen aanwezig zijn. Een virus is dus niet altijd zichtbaar en schadelijk voor de plant zelf, denk aan het viroide in kuipplanten. Toch veroorzaakt een virus meestal een groeiremming van 10-20%, zonder dat u dat aan de plant ziet omdat u geen virusvrije referentiepartij heeft. In tomaten is het nog steeds een discussie hoeveel groeiremming het pepinomozaïekvirus veroorzaakt. Dat daar toch aan het begin wordt geïnfecteerd is omdat de gewasreactie bij een late infectie meestal veel heftiger is. Men probeert door een vroege ‘vaccinatie’ de gevoeligheid van de plant te verlagen. Raakt een plant in stress dan komt een virus sneller tot uiting. Door de combinatie van ziektesymptomen is de herkenning moeilijk.
De top van jonge scheuten is vaak nog virusvrij, de plant groeit sneller dan het virus zich naar boven verspreidt. Voor weefselkweek wordt daarom de top van een plant genomen.

Bron: Nieuwsbrief Relab den Haan

Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven