Er komt een convenant gewasbescherming aan. De Nederlandse overheid streeft naar een convenant op hoofdlijnen (vóór de zomer) en deelconvenanten per sector (na de zomer). Dat schrijft staatssecretaris Silvio Erkens (LVVN) in een brief aan de Tweede Kamer. Gert-Jan Segers is aangesteld als onafhankelijk voorzitter om het convenanttraject te leiden.
Telersorganisaties en ketenpartners zijn bij de totstandkoming van het convenant betrokken. Onder hen Glastuinbouw Nederland. Minder milieubelasting door inzet van gewasbeschermingsmiddelen moet volgens die partijen hand in hand gaan met meer rechtszekerheid voor telers en met randvoorwaarden om gewassen gezond te houden.
De inzet van de regeringscoalitie komt mede voort uit maatschappelijke zorgen over de impact van gewasbeschermingsmiddelen op gezondheid, natuur en waterkwaliteit. Telersorganisaties en ketenpartners onderkennen die zorgen. Tegelijkertijd zullen ook de zorgen van telers en plantaardige ketens in de convenanten aan de orde moeten komen, stelt Glastuinbouw Nederland in een reactie op de Kamerbrief.
Inzet plantaardige ketens
Telers en ketenpartners willen zich hard maken om met 'weerbare teeltmethoden' verdere stappen te zetten op het verlagen van de milieubelasting door het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Tegelijkertijd ervaren telers nu al dat het in de praktijk steeds lastiger wordt om gewassen overeind te houden. Klimaatverandering leidt tot de introductie van nieuwe ziekten en plagen en het wordt moeilijker om bekende plagen te beheersen. Daarnaast vervalt de toelating van steeds meer gewasbeschermingsmiddelen. Terwijl de beschikbaarheid van nieuwe, groene alternatieven en de toepassing van innovatieve technieken en robotisering op zich laten wachten.
Randvoorwaarden
De convenanten zullen dus óók moeten gaan over randvoorwaarden die nodig zijn zodat telers en tuinders voldoende opbrengst van goede kwaliteit kunnen oogsten. Dat gaat enerzijds over middelen en maatregelen die het mogelijk maken om doelen te kunnen realiseren. En anderzijds over rechtszekerheid, over het versnellen van Integrated Crop Management (ICM) en over de vraag hoe om te gaan met hogere oogstrisico's.
Achterban betrekken
Sinds begin dit jaar hebben BO Akkerbouw, Greenports Nederland, LTO Nederland en NAJK de inzet van telers en ketenpartners al verkend met betrokken partijen. Gedurende het traject zullen de organisaties voortdurend afstemmen met hun achterbannen en met andere relevante organisaties over de inhoudelijke uitwerking. Telersorganisaties en ketenpartners onderkennen dat het convenant naast 'zoet' ook 'zuur' zal bevatten, waarbij voortdurend beoordeeld wordt of die in een juiste balans met elkaar zijn.
LTO-voorzitter Ger Koopmans reageert ook: "De toezegging in de Kamerbrief dat gemeenten meedraaien "in het convenanttraject om te zorgen voor meer uniformiteit in gebiedsgerichte regels over gewasbeschermingsmiddelen" is een positief, vertrouwenwekkend eerste signaal dat wij zeker waarderen."
Kansen én aandachtspunten
Ook de NAV ziet hierin diverse positieve aanknopingspunten. Zo wordt terecht benadrukt dat een goed gevulde 'gereedschapskist' noodzakelijk blijft voor de effectieve bestrijding van ziekten, plagen en onkruiden. Plantaardige productie vormt immers een onmisbare pijler onder de voedselzekerheid. Ook beoordeelt de NAV het voorgestelde tijdpad richting 2040 als realistisch, mede gezien het huidige tekort aan haalbare en betaalbare alternatieven.
Daarnaast waardeert de NAV dat ketenpartijen actief worden betrokken. De risico's van de beoogde transitie kunnen niet uitsluitend bij telers worden neergelegd. Zowel veredelingsbedrijven als leveranciers van groene gewasbeschermingsmiddelen spelen een cruciale rol in de verduurzaming van de sector. Gezien het brede maatschappelijke belang van voedselzekerheid en voedselveiligheid is een integrale ketenbenadering essentieel, van producent tot consument, bijvoorbeeld via de inzet van meer weerbare rassen.
Tegelijkertijd plaatst de NAV enkele kanttekeningen bij de Kamerbrief. De gehanteerde definitie van 'schadelijke stoffen' blijft onduidelijk, evenals de impliciete aanname dat groene of biologische middelen per definitie minder schadelijk zijn. Bovendien is er nog onvoldoende kennis over de daadwerkelijke impact van aangetroffen concentraties in natuurgebieden.
Ook de weergave van middelengebruik in kilogrammen acht de NAV onvoldoende geschikt, aangezien groene middelen vaak in grotere volumes worden toegepast. Positief is dat in de brief ook wordt verwezen naar het gebruik van milieubelastingsindicatoren. Verder vraagt de NAV aandacht voor andere bronnen van pesticiden in water en natuur, zoals middelen tegen muggen en vlooien- en tekenbestrijding, die eveneens frequent worden aangetroffen.
Met betrekking tot de voorgestelde bouwstenen uit de NAV zorgen over zonering. De organisatie verwijst hierbij naar een recent kennisartikel. Tegelijkertijd ondersteunt zij de oproep van de staatssecretaris aan gemeenten om landelijke regie af te wachten, een lijn die volgens de NAV ook voor provincies zou moeten gelden.
De NAV ziet kansen voor een brede verduurzamingsslag binnen de plantaardige keten, waarbij ook de rol van de consument nadrukkelijk wordt meegenomen. Daarbij is het van belang dat mogelijke afwentelingseffecten inzichtelijk worden gemaakt en meegewogen. Wanneer een reductie van gewasbescherming bijvoorbeeld leidt tot hogere emissies door extra mechanisatie, lagere voedselproductie of verminderde bestaanszekerheid van primaire producenten, kan het convenant zijn doel voorbijschieten.
Al met al biedt het convenant perspectief voor verdere verduurzaming van de plantaardige productie. Voor de NAV geldt daarbij als randvoorwaarde dat nationale maatregelen niet verder gaan dan Europese regelgeving, dat er sprake is van een gelijk speelveld binnen de EU en dat beleidskeuzes gebaseerd zijn op een solide wetenschappelijke onderbouwing.
Bron: Glastuinbouw Nederland / LTO / NAV / LVVN