Biodiversiteitsstroken rond kassen lijken geen extra invlieg van schadelijke insecten te veroorzaken. Dat blijkt uit zes monitoringsrondes die in 2025 zijn uitgevoerd om inzicht te krijgen in de ontwikkeling en werking van biodiversiteitsstroken rond kassen.
Vorig jaar is op twintig glastuinbouwbedrijven, verspreid over Nederland, onderzoek uitgevoerd naar de effecten van biodiversiteitsstroken in en om de kas. Op elk bedrijf is een biodiversiteitsstrook van 250 m² aangelegd die werd vergeleken met een controleveld van gelijke omvang. Doel van het project is het versterken van biodiversiteit en het aantrekken en ondersteunen van natuurlijke vijanden van kasplagen.
© Het Nieuwe Doen in Plantgezondheid
Bestuivers en natuurlijke vijanden
In de biodiversiteitsstroken werden diverse bestuivers en natuurlijke vijanden aangetroffen. Ten opzichte van de controlevelden werden meer bijen en hommels, zweefvliegen en dagvlinders waargenomen. Een deel van de aangetroffen zweefvliegen vervult een dubbele functie: volwassen zweefvliegen dragen bij aan bestuiving, terwijl de larven bladluizen consumeren. Daarnaast werden in de biodiversiteitsstroken meer Orius, lieveheersbeestjes en gaasvliegen waargenomen dan in de controlevelden.
Bladluizen
In totaal zijn 23 bladluissoorten met zekerheid gedetermineerd. Een groot deel hiervan was gebonden aan specifieke waardplanten in de biodiversiteitsstroken en controlevelden. De meeste aangetroffen soorten zijn specialistisch of kennen een waardplantwisseling buiten de kas. Deze specifieke bladluizen kunnen mogelijk een belangrijke bijdrage leveren aan het ondersteunen van natuurlijke vijanden, doordat zij fungeren als alternatieve voedselbron. Belangrijke kasplagen zijn slechts beperkt en incidenteel aangetroffen.
Trips en TSWV
Eind juni en juli werd een toename van trips waargenomen, wat bekend is uit eerder onderzoek. Tripsen verzameld uit bloemmonsters zijn met PCR getoetst op Tomato spotted wilt virus (TSWV). Bij dertien van de twintig bedrijven zijn TSWV-fragmenten aangetoond in trips, verspreid over alle regio's, wat is bevestigd met sequencing. Dit laat zien dat viraal genetisch materiaal aanwezig was, maar het zegt niets over de vraag of trips het virus ook daadwerkelijk kan overdragen. Daarnaast is TSWV aangetoond in planten uit een controleveld, wat erop wijst dat de aanwezigheid van het virus niet eenduidig kan worden gekoppeld aan biodiversiteitsstroken. De rol van de ingezaaide planten moet daarom in vervolgonderzoek nader worden onderzocht.
Monitoring 2026
In 2026 wordt het onderzoek voortgezet met aanvullende analyses naar de aanwezigheid van TSWV in planten uit biodiversiteitsstroken en controlevelden. Daarnaast worden de relaties tussen plantsoorten, plagen en natuurlijke vijanden verder uitgediept. Het uiteindelijke doel is te komen tot een beter onderbouwde inschatting van de kansen en risico's van biodiversiteit rondom de kas.
Dit project is een samenwerking tussen Glastuinbouw Nederland, Wageningen University & Research en Universiteit Leiden. De financiering is afkomstig van het ministerie van LVVN, Kennis in je Kas (KijK via het innovatieprogramma Het Nieuwe Doen in Plantgezondheid), het Innovatiefonds Hagelunie, Provincie Zuid-Holland (via Greenport West-Holland), Gemeente Westland, Glastuinbouwpact Bommelerwaard & Tielerwaard en Hoogheemraadschap van Delfland. Daarnaast leveren Biobest, ECW Energy en Federatie Vruchtgroente Organisaties een bijdrage in natura. Door deze samenwerking zetten telers en onderzoekers samen een stap naar een duurzamer en weerbaarder teeltsysteem.
Bron: Het Nieuwe Doen in Plantgezondheid