Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven

U maakt gebruik van software die onze advertenties blokkeert (adblocker).

Omdat wij het nieuws gratis aanbieden zijn wij afhankelijk van banner-inkomsten. Schakel dus uw adblocker uit en herlaad de pagina om deze site te blijven gebruiken.
Bedankt!

Klik hier voor een uitleg over het uitzetten van uw adblocker.

Meld je nu aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief en blijf up-to-date met al het laatste nieuws!

Abonneren Ik ben al ingeschreven
App icon
FreshPublishers
Openen in de app
OPENEN

“De grootste uitdaging zit erin om naar ons voedselsysteem te kijken als een geheel”

Tholen - Na haar tijd als minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in kabinet Balkenende IV was Gerda Verburg actief voor de Verenigde Naties in onder meer Rome en Geneve. Eenmaal terug in Nederland laat de landbouw haar niet los en pleit ze voor een herziening van het hele voedselsysteem omdat de gefragmenteerde aanpak van knelpunten voor problemen zorgt. "Ons huidige voedselsysteem is aan een nieuwe fase toe en dat moeten we in zijn totaliteit aanpakken."

Samen met andere initiatiefnemers uit het voedselcluster, verenigd in het 'Manifest: Bouwen aan een sterk, toekomstgericht Nederlands voedselsysteem', roept zij een nieuw kabinet op om met het voedselcluster tot een akkoord te komen over één gezamenlijk doel voor 2050: een toekomstbestendig voedselsysteem dat brede welvaart borgt, ook in tijden van geopolitieke spanningen.

AGF-vakblad Primeur sprak (voordat het nieuwe kabinet definitief vorm kreeg red. GroentenNieuws) met deze gedreven en oplossingsgerichte bestuurder over onder meer het belang van systeemoplossingen, gewasbescherming en ruimte. Maar ook het voorkomen van voedselverspilling – Gerda is voorzitter van de Stichting Samen Tegen Voedselverspilling – en de noodzaak om problemen samen – "dat kunnen wij heel goed, wij hebben nota bene het 'polderen' uitgevonden – aan te pakken.

Gerda Verburg

De politiek worstelt met stikstof en water, de telers trouwens ook, er is een maatschappelijke wens tot minder gebruik van gewasbescherming en meer biologische productie, maar de vraag daarnaar blijft uit. Eén derde van al het voedsel dat wereldwijd wordt geproduceerd, wordt niet geconsumeerd. Kortom, ons voedselsysteem piept en kraakt. Waar ziet u de grootste uitdagingen?

De grootste uitdaging zit erin om naar ons voedselsysteem te kijken als een geheel en niet in allemaal kleine plakjes, zoals dat nu gebeurt. Het ene moment hebben we een stikstofprobleem en het andere moment hebben we een mestprobleem en dan is het water of biodiversiteit. Ik denk dat het goed is om een stap terug te doen en vast te stellen waar we het over hebben. Het hele systeem dat we na de Tweede Wereldoorlog hebben opgetuigd heeft ons veel gebracht, zowel in de primaire productie als in de voedselbewerking en ook in de prijs-kwaliteitverhouding van ons voedsel. Maar dat systeem is destijds opgebouwd met een focus op kwantiteit, vanuit de gedachte: nooit meer honger. Daar is ook het Europese beleid op gestoeld. En Europa is daarop ook weer teruggekomen, want plotseling kregen we boterbergen en melkplassen. Maar nu moeten we vorm gaan geven aan ons voedselsysteem van de toekomst. En hoe doen we dat in een wereld waarin we aanlopen tegen de grenzen van het klimaat, maar tegelijkertijd ook tegen de grenzen van democratie en zekerheid van voedsel?


Een komkommerverbeelding van de voedselketen

Want we hebben op dat punt niet één uitdaging; het gaat niet alleen om Oekraïne, maar kijk ook eens naar China of de Verenigde Staten en hoe wil je dan als Europa of als Nederland in Europa jezelf positioneren? Nu is er iets wat wij in Nederland goed kunnen voor Europa, binnen Europa en als Europa. Wij exporteren voedsel naar de hele wereld, te beginnen bij de uitgangsmaterialen. In plaats van ons verder in een hoekje te laten drukken, moeten we kiezen voor een nieuwe aanpak. Daarom hebben we afgelopen zomer met een aantal mensen gezegd: we gaan nu opstaan en aanpakken. Alleen een landbouwakkoord is te weinig. De primaire sector is cruciaal, maar kan het niet alleen. De vraag is hoe we ons voedselsysteem willen inrichten van uitgangsmateriaal tot en met hoe we voedsel consumeren. Daar hebben we een plan voor geschreven - Manifest: Bouwen aan een sterk toekomstgericht Nederlands voedselsysteem - en dat hebben we ingediend bij de onderhandelaars van het regeerakkoord. In het eerste stuk van Rob Jetten en Henri Bontenbal zijn daar al een aantal elementen van teruggekomen.

Wie zijn daarbij betrokken?
Dirk Duijzer (Rabobank) is één van mijn mede-initiatiefnemers, net als Sjoukje Heimovaara (WUR) en Han Kollff (ondernemer). Verder zijn daar onder meer bij betrokken: Rabobank als bank, Centraal Bureau levensmiddelen, LTO, NAJK, VNONCW, Topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Topsector Agri & Food en de SER heeft mee geadviseerd. Dat is breed gedragen, omdat wij ontwikkelen en perspectief hand in hand laten gaan met saneren. We nemen de hele keten mee. Al die partijen tekenen mee en zeggen tegen het nieuwe kabinet: we willen een akkoord sluiten dat tot 2050 richting geeft. We verwachten een investering van het kabinet en de betrokken partijen gaan ook zelf investeren, maar dan moet er wel perspectief zijn. Want de huidige regering geeft weinig perspectief en voor een te korte termijn. Dat geeft voor telers te veel onzekerheid om te kunnen investeren. Daar moet Europa ook op acteren, maar dan moet er eerst een goed akkoord zijn met het kabinet.

Saneren is nodig om verder te kunnen ontwikkelen, maar iedereen die vooruit wil, krijgt daarvoor een kans. Maar dat zal wel een investering vergen en het zal klimaatvriendelijk moeten, anders stopt het op enig moment zelf vanzelf. Er zit een grens aan het uitputten van de bodem en het vervuilen van het water. Dus, saneren, stimuleren en ontwikkelen gebeurt hand in hand, waarbij de problemen in de keten meteen worden opgelost.

Gaat dit gevolgen hebben voor de prijs en hoe kunnen de consumenten hierin worden meegenomen?
Het is helemaal de vraag of de prijs hierdoor stijgt, dat is speculeren. Iedereen weet dat we ietsje anders moeten gaan consumeren en minder verspillen. Daarnaast, de overheid kan ook aan de prijsknop draaien. Als er geld nodig is, wordt dat nu vaak opgelost met een beetje meer belasting hier of wat meer btw daar. Met die maatregelen kun je ook de gezonde keuze de financieel meest aantrekkelijke keuze maken. Bijvoorbeeld door de btw te verlagen. Natuurlijk heeft de supermarkt daar een rol in, net als de inrichting van de voedselomgeving en regelgeving ook kan helpen. Ondernemers die vooroplopen en extra kosten maken, hoeven de risico's niet alleen te dragen, maar moeten deze in een groter geheel kunnen omslaan.

Ik denk dat er in het stuk van Jetten en Bontenbal voldoende staat over het maken van een onderscheid tussen uitgaven die ieder jaar terugkomen, waar niet direct een inkomensmodel tegenover staat, zoals zorg en sociale zekerheid, en investeringen die leiden tot return on investment en sociaal economische en volhoudbare ontwikkeling. Dat vraagt om oplossingsgericht kijken, niet in ge- en verboden denken, maar mensen tot hun recht laten komen. Dan moet je ook iets doen aan de vergunningen en regelgeving en uitgaan van doelbepalingen in plaats van middelbepalingen. In ons plan stappen wij af van de depositie van stikstof. Wij gaan naar uitstootrechten. De ETS (Emissions Trading System) handel heeft laten zien dat op het moment dat een bedrijf ergens een verdienmodel van kan maken, dat heel goed werkt. Daardoor zien ook achterlopers dat ze een dief van hun eigen portemonnee zijn, als ze niet meedoen. Duurzaamheid moet je combineren met economische aantrekkelijkheid. Dat is een andere manier dan die wij – en de politiek – nog veel te veel hanteren.

Je kunt dan bovendien in Europa een grotere rol spelen dan nu. Nederland is nu een beetje het stiefkindje van de EU. We komen niet met plannen, maar vragen voortdurend om uitzonderingen. Als we een plan op tafel leggen en de handen ineen slaan, kunnen we leveren en onderweg de bottlenecks uit de weg ruimen. Als we achterover blijven zitten, zullen steeds meer ondernemers om zich heen kijken en mogelijk vertrekken. Ondernemers vragen zich af of er in Nederland nog een toekomst voor hen is. Die toekomst moeten we met elkaar creëren en als dat op orde is, kunnen we onze kracht ook voluit Europees en internationaal inzetten. Dan hebben we in Nederland en Europa veel te bieden, en kunnen we mondiaal weer echt aan tafel schuiven, omdat we iets hebben in te brengen wat anderen graag willen hebben.

Het Manifest: bouwen aan een sterk toekomstgericht Nederlands voedselsysteem is aangeboden aan de onderhandelaars van een nieuw regeerakkoord. Wat zijn uw verwachtingen van de politiek?
Het initiatief ligt er en politiek en samenleving hebben elkaar daarin nodig. Met het schrijven van het manifest steken wij als initiatiefnemers onze nek uit en het zou teleurstellend zijn als de politiek dit terzijde schuift. De politiek hoeft niet te tekenen bij het kruisje, er kan over gepraat worden. Maar het is zo'n alomvattend plan. Als zoveel verschillende spelers dit interessant vinden en mogelijkheden zien om bij te dragen op het vlak van gezond, duurzaam, betaalbaar en veilig voedsel, maar ook aan bijvoorbeeld leefstijl of alternatieve eiwitten en bereid zijn hiervoor publiek/private samenwerking aan te gaan, is het voor een nieuwe regering een enorme kans om deze uitgestoken hand te pakken en er werk van te maken. Daarbij zetten we in op akkoord met het hele kabinet. Dergelijke systeemoplossingen vragen investeringen, zowel op financieel vlak alsook qua ruimte en regelgeving. Daarvoor heb je het hele kabinet nodig. Dit overstijgt één departement, net zoals ook energie en wonen één departement overstijgen.

Daarbij is politieke moed nodig en hier hebben we politici voor nodig die niet alleen naar de volgende verkiezingen, maar naar de volgende generatie willen kijken. Dat is het belangrijkste wat moet gebeuren. De uitdagingen zijn niet klein en de kost gaat voor de baat uit. Maar doen we het niet, gaat het nog veel meer kosten en ook zaken die ons dierbaar zijn, zoals onze vrijheid, democratie en kwaliteit van leven. Dan leveren we ons uit, omdat we privaat heel rijk zijn en onszelf publiek verder uitputten. Nederland mag niet alleen gericht zijn op Nederland zelf, maar een belangrijke rol willen spelen in Europa. Financieel en economisch, maar ook als we het hebben over onze kennis en kunde. Dat vergt langjarige afspraken op basis van langetermijndenken en -investeringen.

U noemt het aspect ruimte. De beperkte ruimte in Nederland staat onder druk van onder meer wonen, infrastructuur en natuur. Blijft er ruimte voor de primaire productie?
Dat is in Nederland absoluut altijd een uitdaging. Er is meer ruimte nodig voor wonen, maar tien nieuwe steden is wel erg veel. Je moet daarin keuzes maken. Bijvoorbeeld naast een wijk erbij ook meer in de hoogte bouwen. We moeten ook opnieuw nadenken over hoe natuur en productiegrond zich tot elkaar verhouden. Willen we naast landschapsparken echt 162 kleine Natura 2000 gebiedjes hebben? Kijk eens over de gehele EU: kunnen we de verhouding van natuur en productiegronden niet veel verstandiger inrichten? We hebben natuur nodig, geen twijfel, we zullen onze planeet in conditie moeten houden. Maar waarom zouden we niet eens de Vogel- en Habitatrichtlijn op zijn effectiviteit tegen het licht houden?

Dat is in het verleden als eens zonder resultaat geprobeerd. Waarom zou dat nu wel kans van slagen hebben?
Onder druk wordt alles vloeibaar en de druk wordt niet kleiner. Als één meneer in het Witte Huis er al voor kan zorgen dat Europese landen vijf procent van het BNP aan defensie gaan besteden, denk je dan dat we niet in staat zouden moeten kunnen en willen zijn om te evalueren of we ons natuurbeleid niet nog beter kunnen aanpakken? Bovendien is natuur altijd in beweging, ook door klimaatverandering.

Regelmatig sluiten realiteit en beheerplannen niet meer op elkaar aan. Bijvoorbeeld vossen vreten dieren op die ze niet geacht worden op te vreten. We hebben lessen geleerd van het natuurbeheer in de Oostvaardersplassen. Dat avontuur leverde bepaald niet het resultaat dat werd beoogd. Als je nu constateert dat Nederland te klein is voor een dergelijke vorm van natuurbeheer en je constateert dat we anderzijds erg goed zijn op het agrarische vlak – want we hebben buitengewoon vruchtbare grond en leveren potentieel de beste telers af – waarom zou je dat niet beter benutten en veiligstellen door systeemdenken op iets grotere Europese schaal?

Hoe kijkt u naar de vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen; hebben we niet een ondergrens bereikt die juist tot voedselverspilling zou kunnen leiden?
Ik denk inderdaad dat een ondergrens bereikt is en we bij Europa op de stoep moeten staan. Als de wiedeweerga moet volledig worden ingezet op groene middelen, zodat we binnen vijf jaar de grootste problemen met groene middelen kunnen aanpakken en binnen 10 jaar alle problemen die we dan kennen. En van daaruit voortborduren op nieuwe uitdagingen, want elke tijd heeft zijn eigen knelpunten. Dus: permanent inzetten op groene middelen die met voorrang getest worden. Waarom hadden we tijdens de coronapandemie wel binnen een jaar een goedgekeurd vaccin? Dat hebben we gedaan door hokjes open te zetten, shortcuts te maken en niet iedereen door elk hoepeltje te laten springen. Dat gevoel van urgentie is hier ook voor de groene middelen nodig. Dit moet niet individueel worden gedaan maar en bloc en als onderdeel van een strategie. En ook dit is een aspect waarmee we zouden kunnen meespelen op het wereldtoneel.

Wat is de eerste stap die genomen moet worden?
Er is niet een meest urgente stap, want alles hangt met elkaar samen. Het meest urgente is dat een akkoord wordt gesloten waarin alle aspecten zijn verwerkt. Er moet, het geheel in het oog houdend, een strategie worden gemaakt van 'quick wins' en absolute prioriteit. Op het gebied van gewasbescherming kunnen universiteiten daaraan werken, zodat er binnen drie jaar middelen zijn, niet alleen in een laboratorium, maar ook uitgetest op het veld. Daarbij is het belangrijk dat groenten- en fruittelers meedenken en meekijken. Wetenschappers en telers moeten meer elkaars taal leren spreken, zodat schotten verdwijnen. Daar zal best een keer frictie van komen en dat is prima. In de politiek heb ik geleerd dat zonder frictie er weinig klaargespeeld wordt.

Als we nu niets doen, wat is dan het scenario?
Dan blijven we aanmodderen en gaat dat ten koste van de samenleving; met nog meer chagrijn. Ik zou het willen omdraaien. Langzamerhand hebben mensen een wake-up call gekregen – het winterweer begin januari helpt daarbij – dat alleen zelfredzaamheid en zelfweerbaarheid niet de oplossing is. Je kunt bij bijvoorbeeld gladheid de weg op gaan, omdat je denkt dat je het wel redt, maar als er een geschaarde vrachtauto de weg blokkeert, dan koop je niets voor je eigen zelfredzaamheid. Zo zorgt ook de situatie in Oekraïne bij veel mensen voor ongerustheid. Een nieuw kabinet zal ervoor moeten zorgen dat we schouder aan schouder staan. Niet altijd gemakkelijk; daar moeten we doorheen richting de stip op de horizon die voor iedereen kansen biedt en niemand laten vallen. Andersom mag de burger ook niemand laten vallen, die heeft ook iets te doen. Dan hebben we geen samenleving van ontevreden burgers die niet meedoen, maar wordt iedereen ingeschakeld. Op dit moment krijgen we levenslessen dat het nodig is om samen weerbaar te zijn.

Foto rechts: Gerda Verburg bij haar aantreden als voorzitter van Samen Tegen Voedselverspilling

Met een andere pet op bent u voorzitter van de Stichting Samen Tegen Voedselverspilling, dat overigens ook is betrokken bij het Manifest: bouwen aan een sterk toekomstgericht Nederlands voedselsysteem. Wat voor rol speelt de strijd tegen voedselverspilling in een nieuw voedselsysteem?
Dat is het omgaan met grondstoffen en die zijn schaars. Wereldwijd zie je dat de jacht van de grote machten draait om grondstoffen. Alles wat je dan circulair kunt maken – zodat stoffen opnieuw benut kunnen worden – of besparen, is een geweldig winmodel. Dat gaat de toekomst worden. Een aantal ministers heeft wel aan circulariteit gewerkt. Maar ook hier moet je het hele systeem opnieuw doordenken en hergebruik kosteneffectief gemaakt worden. Daar zitten nog de nodige uitdagingen. Die hobbels zul je met elkaar moeten nemen. Want ook het tegengaan van verliezen en verspilling kan alleen door samenwerking in de hele keten. Dus ook hier moeten we naar de voedselketen als geheel kijken. Ons Samen Tegen Voedselverspillings-team staat voor elk bedrijf en iedere organisatie klaar om mee te denken en slimme oplossingen te vinden, die vaak ook nog een stevige kostenreductie opleveren. Als één ondernemer daar de prijs voor betaalt, gaat het niet gebeuren. Maar als je al op de akkers grondstoffen kunt besparen – bijvoorbeeld minder uitspoeling van mineralen en meststoffen – blijft er meer economische waarde over en kun je met minder meer produceren. Door een langjarige focus op het productievolume, zijn er kansen blijven liggen op het vlak van kwaliteit. Daarnaast wordt niet altijd voor vernieuwing gekozen, omdat het nu – nog – goedkoper is om het bij het oude te laten. Zorgen voor kosteneffectiviteit is van belang, net als het meten van resultaat. Maar tegelijkertijd zie ik grote bedrijven als Unilever of Nesté inzitten over hun sourcing op de lange termijn, want bijvoorbeeld in Spanje wordt het steeds moeilijker om tomaten in de volle grond te telen. Er is meer nodig en we zullen moeten werken aan het behoud van de kwaliteit van de grond en het water. Elke teler kan je vertellen: dat is een 'no regret'.

En verderop in de keten?
In de tussenhandel zie je nu al veel dat afvalstromen worden hergebruikt en bewaard. Dan wordt er tot slot gekeken of met de anderzijds onbruikbare resten biologisch afbreekbare verpakkingsmateriaal gemaakt kan worden. Dat denken staat niet stil, dat gaat vrij snel. Ongeveer een derde van de verspilling vindt bij de consument thuis plaats. Dat heeft naast een cultuur van snel voedsel weggooien, ook te maken met mogelijk verwarrende regels zoals het verschil tussen de 'uiterste verkoop datum' en de 'tenminste houdbaar tot' vermelding. Naar schatting is deze verwarring verantwoordelijk voor zo'n 10 procent van de voedselverspilling bij Nederlanders thuis. Supermarkten zijn zeer actief op dit punt en dat is tegelijkertijd een gigantisch bespaarmodel. Door bijvoorbeeld data en AI in te zetten om producten rond de uiterste houdbaarheidsdatum af te prijzen, worden er tientallen miljoenen bespaard. Tussen 2018 en 2024 daalde de verspilling van AGF in de supermarkt van 2,7 naar 2 procent van het inkoopvolume. Waar eerder werd gedacht dat bijvoorbeeld verspilling van brood niet terug te dringen viel, werd door een benchmark duidelijk dat er tussen grote bakkers een enorm verschil was in de verspilling van brood. Dat zorgde voor interesse bij andere bakkers. Als bedrijven daarover communiceren – zonder in details te treden – zet dat andere bedrijven ook aan tot actie. In de nieuwe strategie van Samen Tegen Voedselverspilling meten we hoe we verspilling en verliezen voorkomen en maken dit financieel inzichtelijk. Daarbij maken we gebruik van 'BRAIN': Biotechnologie, Robotica, AI en Nanotechnologie. Dan is het zaak de whizzkids in contact te brengen met de mensen in de praktijk. Dat gebeurt veel te weinig. Er is zoveel mogelijk met dergelijke technologieën, maar dan moet je wel weten wat de praktijkproblemen bijvoorbeeld op het erf en in het dagelijkse proces in de keten zijn. Wij moeten meer naar elkaar luisteren om met elkaar oplossingen te vinden en resultaat te boeken. Dat is prachtig. Daarmee komen wij in ons prachtige land als samenleving beter tot ons recht.

Dit artikel verscheen eerder in editie 1, 40e jaargang van Primeur. Zie hiervoor www.agfprimeur.nl.

Gerelateerde artikelen → Zie meer