Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven

U maakt gebruik van software die onze advertenties blokkeert (adblocker).

Omdat wij het nieuws gratis aanbieden zijn wij afhankelijk van banner-inkomsten. Schakel dus uw adblocker uit en herlaad de pagina om deze site te blijven gebruiken.
Bedankt!

Klik hier voor een uitleg over het uitzetten van uw adblocker.

Meld je nu aan voor onze dagelijkse nieuwsbrief en blijf up-to-date met al het laatste nieuws!

Abonneren Ik ben al ingeschreven
App icon
FreshPublishers
Openen in de app
OPENEN
John Kusters, NFO:

“Willen we met zijn allen duurzaam doen, dan moeten we afspraken maken”

Tholen - De eerste periode nadat hij in juli het voorzittersstokje van de Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO) overnam, noemt John Kusters "uitdagend, maar leuk". Hij ziet een kloof tussen de praktijk en het beleid. De uitdaging voor de nieuwe voorzitter, die als Conference-teler en teeltadviseur op veel ervaring in de sector kan bogen, is dan ook het overbrengen van het praktijkverhaal aan de beleidsmakers. "Mijn agenda met de NFO is om proactief de markt op te gaan om uit te leggen dat Nederlandse fruittelers al een heel groen product telen." Een Visie-interview dat eerder in vakblad Primeur verscheen met NFO-voorzitter John Kusters waarin onder meer voedselverspilling, aandacht voor het totaalplaatje en ketensamenwerking de revue passen.


John Kusters, voorzitter NFO

Wat heeft de Nederlandse fruitteler van de politiek nodig?
Toekomstperspectief! De toekomst zie ik positief als de politiek uiteindelijk de juiste voorwaarden schept om te zorgen voor voedselbeschikbaarheid. Dat kan de overheid doen door te zorgen voor duidelijkheid in wet- en regelgeving en een stabiel beleid rondom het middelengebruik of dat nu biologische, synthetische of basismiddelen zijn. Daarnaast moet de overheid duidelijkheid scheppen over de ruimte die in het buitengebied beschikbaar is voor de productie van voedsel; bijvoorbeeld de omvang van de teeltvrije zone die gehanteerd moet worden.

En als de voorkeur uitgaat naar biologische fruitteelt of het gebruik van groene middelen dan kan dat, maar wel met de voorwaarden die dat mogelijk maken. Want bijvoorbeeld de biologische productie per hectare is lager, waardoor er meer ruimte nodig is om dezelfde hoeveelheid groenten en fruit te produceren. Maar op de vraag waar daarvoor ruimte is, blijft de politiek het antwoord schuldig. NFO heeft een taskforce opgericht die de voorwaarden waarmee we ons fruit kunnen produceren in beeld gaat brengen. Dat gaat over gewasbescherming – zowel biologisch als chemisch – maar ook over bijvoorbeeld wet- en regelgeving, beschikbaarheid van ruimte en arbeid.

In het minderen van synthetische gewasbescherming zitten ook tegenstrijdigheden. Zo zijn groene gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld minder effectief, waardoor de telers vaker moeten spuiten, wat bij de consument de perceptie kan geven dat er alleen maar meer gespoten wordt. Daarbij is het aannemelijk dat met deze middelen de bewaring niet jaarrond zal zijn, omdat er eerder en meer bewaarproblemen zoals rot zullen ontstaan. In die zin werkt het gebruik van groene middelen ook voedselverspilling in de hand. En wat moet je dan als de Nederlandse appels en peren in februari op zijn? Importeren uit het zuidelijk halfrond; hoe duurzaam zou dat zijn? Veranderende beschikbaarheid bij het gebruik van groene gewasbescherming zou ook een aandachtspunt voor de retail moeten zijn. Met de huidige middelen kunnen we jaarrond goed fruit aanbieden aan consumenten in Noordwest-Europa.

Een ander voorbeeld is het schoffelen van onkruid in de boomgaard versus het gebruik van glyfosaat. In de fruitteelt zijn wij blij met oorwormen die op een natuurlijke manier de perenbladvlo bestrijden. Zo'n oorworm maakt een nestje in de grond waar eenmaal per jaar jonge oorwormen uitkomen. Als er geschoffeld wordt kan de oorworm geen nestje maken. Alle aspecten zijn met elkaar verweven, als je aan de ene kant op iets drukt, heeft dan gevolgen voor de andere kant. Vaak zijn beleidsmakers alleen gefocust op het eigen 'drukknopje' en is het aan de sector om de gevolgen daarvan op te lossen. Het gaat om het totale plaatje; we noemen dit Integrated Crop Management (ICM) en dat betekent dat je soms groen doet en soms ook niet. Maar je moet het totale plaatje afwegen om uiteindelijk een super eindproduct te hebben.

Want we moeten niet uit het oog verliezen dat de Nederlandse fruittelers op een heel hoog niveau veilige en gezonde producten telen. Het Nederlandse fruit voldoet aan de bovenwettelijke eisen die de retail stelt op het gebied van maximum residu limieten en volgt de richtlijnen over de hoeveelheid actieve gewasbeschermingsstoffen die de supermarkt toestaat. Nederlandse fruittelers produceren super veilig voedsel.

Zijn er door deze omstandigheden telers die afhaken of omschakelen naar een andere teelt?
Je ziet dat het door het wegvallen van middelen steeds lastiger wordt, maar ook door het opleggen van certificeringseisen wordt het voor kleinere spelers in de markt steeds lastiger om hun product te kunnen verkopen. Voor de kleine kersentelers bijvoorbeeld wordt het steeds lastiger om te voldoen aan de eisen die gesteld worden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor zien we in zijn algemeenheid wel een schaalvergroting van bedrijven optreden.

Wat wil de consument?
De consument en de burger zijn twee verschillende begrippen. Burgers hebben het idee dat de gewasbeschermingsmiddelen van de fruitteler hun omgeving verontreinigt waardoor het niet veilig is om buiten te zijn. Anderzijds wil de consument wel een zo goedkoop mogelijke appel en peer hebben en heeft daarbij geen aandacht voor het feit dat de fruitteler best wil vergroenen door bijvoorbeeld groene middelen te gebruiken. Maar die zijn wel duurder. Daar zit een groot spanningsveld.

De consument focust zich erg op giftige stoffen, maar anderzijds probeert diezelfde consument met 'chemische stoffen' zijn levensstijl gezond te maken door ongezonde voeding te compenseren met supplementen. Vitamines halen we uit een potje terwijl we in Nederland gezond voedsel produceren wat veel meer bijdraagt aan een gezonde levensstijl.

Uit consumentenonderzoek van begin 2025 blijkt overigens dat prijs voor veel consumenten veel belangrijker is dan duurzaamheid. De consument focust bij de aankoop van voeding eerst op prijs, vervolgens wordt gekeken of iets in de aanbieding is, dan volgen smaak en vertrouwd merk. Pas op de zevende plaats noemt de consument het belang van een biologisch product.

In toenemende mate is er een ketensamenwerking zichtbaar. Hoe zie je ontwikkeling daarvan?
Ik zie inderdaad dat er meer binding komt tussen de retail, handel, sorteerder en de teler. Een positieve ontwikkeling, want dan kan er veel beter worden afgestemd qua product, residuen, kostprijs en bewaarbaarheid. Wil een koper allemaal kleine appeltjes hebben of juist grote peren? Dan kun je met elkaar veel betere afspraken maken. De efficiency neemt daardoor aan alle kanten toe, zodat er uiteindelijk een betere waardeverdeling in de keten komt.

Onder andere Sprank, Tessa, Maribelle, Xenia en Kanzi zijn daarvan mooie voorbeelden. De uitdaging is om het met de totale keten beter te regisseren. Zodat bijvoorbeeld niet de retail voor appel X of peer Y kiest alleen op smaak en uiterlijk, terwijl de teler die rassen niet zonder veel synthetische middelen, en dus milieu impact, kan telen. Daarom moeten de handelsketen en de productieketen veel meer in contact zijn om daarover met elkaar afspraken te maken. Willen we met zijn allen duurzaam doen, dan moeten we met elkaar afspraken maken.

Uiteindelijk kunnen wij, als we met zijn allen meer met elkaar samenwerken, bereiken dat er hele mooie appels, peren, bessen, kersen, frambozen en ander fruit in het schap liggen die duurzaam geteeld zijn in Nederland, door onze telers die op een heel hoog kwaliteitsniveau kunnen produceren. De retail mag met het Nederlandse product pronken, want het is superlekker, goed en gezond.

Voorwaarde bij het telen volgens de vereisten van de retailer is wel dat er een mooie waardeverdeling binnen de keten moet zijn zodat ieder de kosten betaald krijgt die er zijn gemaakt. Hoewel er ketenprojecten zijn waar dit goed gaat, is het niet altijd zo. Bijvoorbeeld PlanetProof; voor fruit wordt dat niet door de markt betaald. Er zijn veel aanbieders van fruit waardoor de retail geen afspraken hoeft te maken in tegenstelling tot bijvoorbeeld de zuivelsector, waar het aantal aanbieders veel kleiner is en er wel een vergoeding is voor een PlanetProof certificering. De toegevoegde waarde van PlanetProof is er voor de fruitteelt op dit moment niet. Het enige wat het nu is, is een 'license to deliver', maar marktwaarde haalt de teler er niet uit. Bij onze fruittelers gaan er daarom steeds meer geluiden op om te stoppen met PlanetProof.

In Europa zie je de hardfruitteeltregio's verschuiven. In het zuiden wordt het telen lastiger, terwijl Duitsland, Polen en de Balkanlanden meer aanplanten. In sommige van die landen ligt het kostenniveau heel anders dan in Nederland. Hoe kan de Nederlandse teler die concurrentie aangaan?
Ik zie het niet als echte concurrentie. Eigenlijk produceren wij nog te weinig voor de regio Noordwest-Europa. Er wordt in deze regio best nog wat fruit geïmporteerd uit andere origines. En ook in Nederland zijn er nog mogelijkheden. Nederlandse telers produceren één appel en twee peren per week voor de Nederlandse consument. Als je uitgaat van het gezegde 'an apple a day, keeps the doctor away' is er zeker nog meer ruimte om de Nederlandse consument te voorzien van meer Nederlands product.

En landen als bijvoorbeeld Polen produceren weliswaar goedkoper, maar ook daar gaan de levensstandaard en de bestedingen omhoog, waardoor ook de lokale consument steeds vaker naar beter en mooier fruit vraagt. Dus worden de producten ook vaker lokaal verkocht.

Zie je, juist doordat de teelt verschuift, in Nederland mogelijkheden voor rassen die voorheen alleen in Zuid-Europa konden worden geteeld, zoals bijvoorbeeld Abate Fetel?
Abate is/was een echt Zuid-Europees ras, met Italië als producent voorop. Met het ras is een grote markt opgebouwd. Of wij daar als Nederland en België in de de toekomst in mee kunnen, weet ik niet. Consumenten zijn nu steeds meer gewend aan Conference peer, waardoor ik verwacht dat de markt ook verschoven is.

Maar ook hier is het belangrijk om binnen de keten af te stemmen. Want naast de teler moet uiteindelijk ook de retail de stap zetten naar een ander ras en is de supermarkt bereid daar schapruimte voor vrij te maken? Als teler kun je tegenwoordig niet produceren terwijl je niet weet wie je producten gaan kopen. Kijk bijvoorbeeld dit jaar eens hoeveel meer kilo's hardfruit er geplukt zijn dan vorig jaar. Ik ben benieuwd naar de prijsverwachting voor de teler die nog niet heeft verkocht. In principe hoeven telers niet onder de kostprijs te verkopen als ze het hoofd maar koel houden, want er is genoeg verkooppotentieel. Ook daarom denk ik dat ketenafspraken veel beter werken op de lange en de korte termijn. Telers die afspraken kunnen maken door de jaren heen, hebben nooit de hoogste pieken, maar ook nooit het diepste dal. Maar je weet wel dat je kostprijs plus hebt. En voor de retail geldt, dat ze zijn verzekerd van een supergezond en veilig product.

Dit artikel verscheen eerder in editie 10, 39e jaargang van Primeur. Zie hiervoor www.agfprimeur.nl.

Voor meer informatie:
NFO
Louis Pasteurlaan 6
2719 EE Zoetermeer
Tel: +31-(0)79 368 13 00
[email protected]
www.nfofruit.nl/

Gerelateerde artikelen → Zie meer