Plantgezondheidsspecialisten reageren op zes stellingen

"Sterk toegenomen gevoeligheid toetsing heeft ook keerzijde"

Globalisering van handelsstromen is een feit. Nederland is daarbij een spil in het web, zeker als het over groenten en fruit en bloemen en planten gaat. Een zestal plantgezondheidsspecialisten reageert in het nieuwste nummer van Buitenstebinnen op zes (prikkelende) stellingen. De conclusie na stelling 5: "Sterk toegenomen gevoeligheid toetsing heeft ook keerzijde."

De specialisten
Helma Verberkt vertegenwoordigt de Nederlandse telers in de voedingstuinbouw en sierteelt. Zij is beleidsspecialist en programmamanager Plantgezondheid bij Glastuinbouw Nederland.

Hendrik Jan Kloosterboer vertegenwoordigt de handelsbedrijven in bloembollen en boomkwekerijproducten als secretaris van Anthos.

Harrie Koenraadt is senior onderzoeker bij team Research & Development van Naktuinbouw.

Peter Bonants is onderzoeker bij Wageningen University & Research (WUR) en heeft een centrale rol in het programma Fytosanitair.

Maikel Aveskamp werkt als manager van het team plantenziekten bij het Nationaal Referentie Centrum (NRC) van de NVWA.

Peter Leendertse is adviseur bij CLM, een onafhankelijk kennis- en adviesbureau voor land-bouw, voedsel, natuur en milieu.

Stelling 5: In toetsontwikkeling moeten we wereldwijd samenwerken
“Helemaal mee eens.” “Een grote ja.” “Een absolute must.” Bonants, Aveskamp en Koenraadt vinden alle drie: het is belangrijk om wereldwijd nog meer samen te werken bij de ontwikkeling van toetsen. “Misschien kennen we maar één procent van alle ziekten. We moeten goed in kaart brengen om welke schadelijke organismen het gaat en wat er gebeurt”, vindt Bonants.

"Vaak weten wij niet welke organismen waar voorkomen en vormen ze toch een risico. Dat vereist veel studie en dat kunnen wij niet alleen. Als je weet welke organismen een risico vormen, kun je de beste testen ontwikkelen. Daarmee kun je de import en export monitoren.”

“Harmoniseren van internationale protocollen helpt daarbij”, vult Aveskamp aan. “Een toets kan op de ene waardplant werken, op de andere niet. Bovendien zijn organismen die plantenziekten veroorzaken niet allemaal gelijk, ook al behoren ze tot dezelfde soort. Daarbij heb je niet altijd vergelijkingsmateriaal beschikbaar. Een ziekteverwekker die bijvoorbeeld in Brazilië is beschreven is hier niet altijd beschikbaar. Daarom is een open dialoog zo belangrijk.”

Koenraadt: “Toetsmethoden worden steeds beter en met name gevoeliger. Over het algemeen is dat goed, maar de sterk toegenomen gevoeligheid heeft ook een keerzijde. Soms moet je je afvragen of een licht positieve uitslag echt nog iets betekent. En dus biologisch relevant is als het gaat om zaad. Hoe dat komt? We kennen allang een biotoets voor zaadpartijen. Die geeft aan of bijvoorbeeld een virus niet-infectieus (dood) of infectieus (levend) is. Dat is extra belangrijk na ontsmetting van zaad. Op basis van jarenlange ervaring weet je wat je dan moet doen.

Tot voor kort was deze biotoets leidend. Afhankelijk van de ziekteverwekker kunnen we nu toetsen op de aanwezigheid van DNA of RNA. Daarbij weten we niet altijd of het gevonden virus dood is of levend. Een positieve test kan grote gevolgen hebben. Daardoor moet je soms zaadpartijen weggooien die misschien wel goed (vals positieve uitslag) zijn.

Of je wel of niet beide toetsen moet doen geeft soms spanning. Zeker bij Q-organismen is de inschatting van het risico hoger dan van gevestigde en minder schadelijke ziekteverwekkers. Wereldwijd sturen we besmette en ziektevrije controle-monsters rond, de zogenaamde ringtoetsen. Daarmee kunnen we toetsmethoden kalibreren. Naktuinbouw neemt daarin het voortouw. We werken daarbij nauw samen met zaadbedrijven.”

Alle stellingen die werden besproken staan hier.   


Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© GroentenNieuws.nl 2020

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven