Bananenteelt in koude kassen in Hveragerði

IJsland heeft meest noordelijke bananenplantage ter wereld

IJslanders leven volgens een bepaalde droom. Ze willen graag zelfvoorzienend zijn. En dat geldt tevens voor de consumptie van tropisch fruit. Alleen is het daar wat koud voor.

Maar inmiddels teelt IJsland haar eigen bananen. Alsof het leven daar niet al lastig genoeg was, want bananen houden van een warme omgeving. Maar toch zijn ze er, in IJsland. En ze produceren nog een lading zoet fruit ook. De weg naar de plantage gaat door iets wat lijkt op een maanlandschap. Het is ruig terrein met heuvelruggen vol scheuren en korsten, op grotere hoogten ligt er sneeuw. In de laagten groeien een paar berkenbomen, naar beneden gedrukt door de wind.

Rijd je erdoor met de auto, dan verwacht je nog eerder het grote sneeuwmonster tegen te komen dan bananen. Op de weg tref je een aantal bussen aan met toeristen. Zij komen niet voor de bananen, maar wel voor tomaten. Die vormen eveneens een attractie in IJsland. Weliswaar zijn ze daar misschien wat minder onverwacht dan bananen, maar ze zijn wel op veel grotere schaal aanwezig. IJsland teelt zelf inmiddels 70% van de binnenlandse tomatenconsumptie, midden tussen sneeuw, ijs en vulkanen.

Dit toont aan dat het merkwaardige idee zelf bananen te telen een onderdeel is van een nog merkwaardiger overkoepelend idee, namelijk om alles zelf te telen wat ze willen eten. Dat idee is niet nieuw. Het gaat terug naar de tijd waarin IJsland nog steeds relatief geïsoleerd was van de rest van de wereld, maar al verbonden genoeg om kennis te hebben van allerlei delicatessen uit de rest van de wereld. Dat was een jaar of tachtig geleden. Toen was exotisch fruit al wel op de IJslandse markt beschikbaar, maar nog voor bijna niemand betaalbaar. Ze werden van ver verscheept en erg langzaam ook nog. Dat kostte geld. Ander fruit, zoals aardbeien bijvoorbeeld, bereikte de IJslandse markt in het geheel niet. Het zou weggerot zijn tijdens de reis. Vanwege het eenzijdige dieet van veel IJslanders, waren er ook genoeg gezondheidsproblemen. Er was genoeg vlees en vis beschikbaar, maar daarnaast waren het vooral wortelgroenten, kolen, aardappelen en bessen. En dat was het.

Een aantal telers had toen al geëxperimenteerd met kassen. Maar pas in de vijftigerjaren, met de eerste succesvolle bananenteelt, groeide hun vastbeslotenheid. Wanneer je bananen kunt telen, dan moet alles mogelijk zijn. Tegenwoordig is het zelf kunnen telen in feite wat minder belangrijk voor de IJslanders. Alles kan namelijk geïmporteerd worden. En dat is goedkoper dan ooit tevoren. Maar in plaats van alles eenvoudigweg te importeren, steken ze nu meer energie in de eigen teelt dan ooit tevoren. Het heeft volgens de mensen zelf iets te maken met hun vaderlandsliefde. Maar waarschijnlijk heeft het meer te maken met de grote schok van 2008, toen hun monetaire systeem instortte. Hun valuta was weinig meer waard, geimporteerde levensmiddelen waren plotseling extreem duur. En al het IJslandse product was plotseling veel goedkoper, dus de IJslanders kochten IJslands.

Nu dat de crisis voorbij is, is dit gevoel wel achtergebleven: “Wanneer het taai wordt, moeten we onszelf helpen.” In de supermarkten kun je nog steeds groenten van over heel de wereld aantreffen. Maar op de producten die in IJsland zelf geteeld zijn, prijkt als een medaille de IJslandse vlag op de verpakking. En daarmee is zelfs nog niet alles gezegd. In de supermarkt hangen lijstjes met daarop iedere fruitsoort en het land van oorsprong daarvan. Ananas uit Costa Rica, granaatappel uit Peru, courgettes uit Nederland, lente-uien uit Duitsland, komkommers uit IJsland. Voor de komkommers is de IJslandse visie al compleet werkelijkheid: alle komkommers in de markt worden in IJsland zelf geteeld.

Bron: Frankfurter Allgemeine


Publicatiedatum :


print   

Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© GroentenNieuws.nl 2019