Michiel F. van Ginkel (Royal ZON) over vergrijzing, consolidatie en circulaire economie

Versnipperde sector klaar voor toekomst?

Tholen - Met de landbouwvisie die minister Schouten eerder in 2018 presenteerde, staat de sector voor een enorme uitdaging. Een circulaire economie is het doel, maar is de sector klaar voor die uitdaging? Michiel F. van Ginkel, algemeen directeur Royal ZON, verwacht dat een vorm van samenwerking noodzakelijk is. De sector is vier jaar na het verschijnen van het McKinsey-rapport nog altijd versnipperd, is zijn conclusie eind 2018. Hij geeft zijn visie en gaat in op drie uitdagingen waar de sector voor staat: vergrijzing, extremer weer, circulaire economie.

Vier jaar geleden begon je als algemeen directeur, hoe kijk je terug op afgelopen jaren?
“Met veel plezier. De AGF-sector is een mooie sector om in te werken en commercieel in bezig te zijn. Het gaat in de business zeker om de centen, maar je speelt ook op het scherpst van de snede met het maatschappelijke belang van gezonde voeding. Dat zie je ook in de connectie met duurzaamheid die de sector heeft. De prijzen zijn dit jaar gelukkig beter dan toen. In de periode 2010 – 2014 waren de prijzen gemiddeld minder goed dan in de periode 2015 – 2018. Het houdt nog steeds niet over, maar de situatie geeft iets meer lucht om te investeren voor de toekomst.”

“De sector is nog even versnipperd als in 2014, zowel aan de handelskant als aan de telerskant. 2014 begon met het McKinsey-rapport waarin de versnippering in de sector werd aangekaart. Partijen moeten bij elkaar komen en zich concentreren, ook omdat de consolidatie in de retail doorgaat. In de sector is dat echter nog niet gebeurd, misschien ook omdat de jaren 2015, 2016 en 2017 beter waren en iedereen toch weer meer op zijn eigen koers focust.”

Staat de sector er dan nog hetzelfde voor als in 2014?
“Het is onvermijdelijk dat we meer moeten samenwerken, omdat de klanten steeds groter worden, maar aan de aanbodzijde zijn we nog niet heel veel opgeschoten. Ik zie wel dat er voorzichtig meer toenadering komt, vooral doordat er meer met elkaar gesproken wordt. Dat is een eerste stap die genomen is waarbij bedrijven elkaar beter leren begrijpen. Je ziet dat onder meer binnen FVO, maar ook in  Limburg werken we al veel samen en met onder meer enkele  bedrijven op Fresh Park Venlo hebben we een gezamenlijk merk: die Frischen. Onder dat kwaliteitsmerk werken we samen om producten uit deze regio te promoten richting  de Duitse markt, want daar ligt  meerwaarde, dus je ziet wat voorzichtige ontwikkelingen.”

In België hebben we de afgelopen jaren wel grote overnames en fusiegesprekken gezien.
“Zonder af te willen doen aan de andere Belgische bedrijven, heb je eigenlijk drie grote coöperaties: BelOrta, Hoogstraten en REO. Hoogstraten onderscheidt zich met het zachtfruit, REO met de vollegrondsgroenten en BelOrta is gevestigd in het hart van het teeltgebied. De Belgische markt is overzichtelijker en deze partijen hebben een significant deel van de markt. De Belgische productie is veel kleiner dan de Nederlandse productie en daarom niet echt goed te vergelijken.”

Moeten we in Nederland ook rekening houden met fusies en overnames?
“Dat is niet te voorspellen, maar als ik kijk naar de landbouwvisie van minister Schouten en ik zie de investeringen waar de land- en tuinbouw voor gesteld wordt, zoals CO2-neutraal of zelfs -negatief produceren en afsluiting van het gasnet, dan kan ik me niet voorstellen dat dit met de snelheid die nodig is gerealiseerd kan worden in de sector zoals die nu is.”

In 2014 brachten jullie ook de klok terug. Hoe is dat bevallen?
“Op dit moment gaat meer dan de helft van de producten voor de klok. Het is een belangrijk instrument en we zien dat kopers het waarderen. Dagelijks hebben we 150 kopers aan de klok, in de veilingbanken of digitaal. Ook het toevoegen van het Spaans product in de wintermaanden was een goede stap die gewaardeerd wordt. Door het jaarrond aanbod houden we kopers vast. De Spaanse producten zijn vers, ze worden hier opgereden en direct geveild. Daardoor hebben ook de kleinere bedrijven in de Duitse grensregio toegang tot verse Spaanse producten. Voor de Spaanse coöperaties is het ook interessant.”

Hoe bepaal je het moment van omschakelen van Nederlands naar Spaans product?
“Je kiest zelden het juiste moment waarop je in het najaar begint met verkopen van Spaans product en stopt met Nederlands product. In het voorjaar is het net andersom. We zitten zelf bij de Spaanse coöperaties aan tafel om te horen wanneer ze verwachten te beginnen met de oogst en we overleggen met onze Nederlandse telers wanneer zij verwachten uit te stromen. De Nederlandse telers zijn het er over eens dat het niet goed is om een gat te creëren waarbij we echt al het Nederlands product eerst verkopen voordat we overgaan op Spaans product. Dan vinden de Spaanse producten andere wegen naar Nederland. Het blijft elk jaar een heikel punt, maar dit is het vierde seizoen en het lukt steeds beter.”

Hoe kijk je terug op 2018?
“Het was geen eenvoudig jaar. Weerkundig was het uitdagend. We gingen van een koud voorjaar direct naar een hete zomer. Dat heeft de asperges, een groot product voor ons, geen goed gedaan. In de periode met hoge prijzen was er weinig aanbod, maar onze telers hebben veel vastliggen in contracten dus dat helpt niet echt. Na de Pasen leek het wel alsof de Nederlanders drukker waren met barbecueën dan met deze witte koninginnen consumeren. Dat geldt ook voor de vruchtgroenten, zoals tomaten en paprika. Door het hete weer was er enorm veel aanbod. Iedereen herinnert zich de telers die afgelopen zomer het product gratis uitdeelden. Dat is een sympathiek idee, maar daar doe je het als teler natuurlijk niet voor. Het laatste kwartaal lijkt onder meer het tomatenseizoen toch nog enigszins gered te hebben.”

“Het is steeds lastiger om algemene uitspraken te doen over een seizoen, omdat de situatie per teler kan verschillen. Sommigen hebben een redelijk seizoen gehad, andere niet. Dat heeft onder andere te maken met het moment waarop ze oogsten. Onze achterban is heel divers. Vroeger was de sector overzichtelijk en had je drie categorieën telers: glas-, fruit- en vollegrondstelers. Nu is dat veel diverser en maakt het een enorm verschil wanneer in het seizoen je afzet. Wij zeggen altijd tegen telers: kies een strategie en houd daar aan vast, want als je op alle ontwikkelingen wilt inspelen, ben je of te vroeg of te laat.”

Kan de aspergesector nog een desastreus seizoen zoals dit jaar verkroppen?
“Wij zijn net als onze telers van nature optimistisch, maar ik denk dat we wel lessen geleerd hebben. De uitbreiding van het areaal zien we dit jaar niet. Ook van de veredelaars horen we dat er in het algemeen minder planten besteld zijn en dat er telers zijn die delen van het areaal niet vervangen. Daarom verwacht ik dat de groei die we de afgelopen jaren hebben gezien gestopt is, misschien dat er zelfs iets minder asperges geteeld gaan worden. Dat komt ook door de vergrijzing onder de telers. Zo’n 40 tot 50 procent van de vollegrondstelers is 55+’er. Op die leeftijd heb je toch een andere insteek als het om investeren gaat dan wanneer je 30 bent. Ik verwacht dus dat er minder aanbod zal zijn, maar het weer is ook bepalend en dat heb ik niet onder controle.”

Hoe groot is de dreiging van klimaatverandering en extreem weer?
“Extreem weer heeft zeker invloed op de vollegrondsteelt. In de kas heeft een teler iets meer mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de teelt, maar het weer blijft invloed houden. Tomatenteler Wim Peters, die genomineerd is voor de tuinbouwondernemersprijs, zag enkele jaren geleden zijn kas compleet verwoest worden door hagel. Zulk extreem weer gaat vaker voorkomen en daar ligt een uitdaging voor de telers, waar zeker een antwoord op gevonden moet worden. Aan de andere kant, kan het ook kansen bieden. Als het warmer wordt, kunnen we bijvoorbeeld het seizoen verlengen en liggen er misschien wel kansen voor de teelt in de wintermaanden. Het is onvermijdelijk dat het veranderende klimaat een uitdaging of een bedreiging vormt voor de bedrijven, maar er liggen ook kansen.”

Is de vergrijzing een groot probleem voor de sector?
“De vergrijzing is een probleem voor de hele Nederlandse economie. We moeten helaas constateren dat andere sectoren een aantrekkelijker imago hebben voor de jongeren dan de agrosector. Veel jongeren kiezen voor een studie in de techniek en willen vooral werken bij techbedrijven zoals Philips en Google, terwijl we hen in de foodsector goed kunnen gebruiken. Daar ligt een grote uitdaging. Het staat ook hoog op de agenda van bijvoorbeeld het ministerie. Voor ons is het een hoofdthema om de jongeren aan ons te binden en te houden.”

Hoe doen jullie dat?
“We hebben zelf binnen het bedrijf de ZON Youngsters Academy, waar we jongeren opleidingsmogelijkheden bieden. Er was bijvoorbeeld een masterstudent die een afstudeeronderzoek bij ons deed. We hadden niet direct een functie voor diegene beschikbaar, maar we hebben toch een baan aangeboden. In een platte organisatie als de onze zijn de carrièremogelijkheden misschien beperkt, maar we kunnen ze wel helpen met opleidingen, cursussen en ervaring opdoen. Voor jonge telers organisereert ZON aparte bijeenkomsten om hen samen te laten komen.”

“Telerskinderen studeren vaak aan de HAS of Fontys Hogeschool, daarom steken we veel energie in onze relatie met deze scholen. We kunnen daar laten zien wat er speelt in de sector. Het potentieel voor de toekomstige teelt ligt toch bij de kinderen van de telers. Onze data-analist geeft bijvoorbeeld college aan HAS-studenten om te laten zien dat wij ook met big data werken en wat we daar mee doen.”

“Daarnaast ben ik betrokken bij de Tuinbouwondernemersprijs, die als doel heeft de tuinbouw onder de aandacht te brengen. We willen daarbij ook nadrukkelijk een podium bieden aan de jonge ondernemers in de sector. Talent is schaars en iedereen is daar mee bezig.”

Is met het afstoten van Sun Berry International de focus meer op de groenten komen te liggen?
“Onder Sun Berry deden we ook inkoop van zachtfruit buiten het Nederlands seizoen, maar zagen dat  niet langer als onze kerntaak. Daarnaast zagen we dat veel leden van een Duitse coöperatie, die we eerder hadden overgenomen, om verschillende redenen stopten met de teelt van blauwe bessen. Toen hebben we besloten om de afzet te integreren in de groentenfaciliteiten. We kopen altijd producten bij als er tekorten zijn, maar dat is anders dan wanneer je echt inkoop doet. Daar zijn we mee gestopt.”

Het vastgoed hebben jullie ook afgestoten. Kun je daar meer over vertellen?
“Het Fresh Park Venlo is een enorm succes en is de laatste decennia uitgegroeid tot een magneet en centrum voor de sector in Zuidoost-Nederland. Dat is mede te danken aan de goede ligging ten opzichte van Duitsland. Daarnaast worden de investeringen in nieuwe panden steeds groter en  complexer. Hoewel we een goed vastgoedteam hadden, vraagt het vastgoed steeds meer specifieke  expertise. We concludeerden dat we op de lange termijn op dat punt kwetsbaar zouden zijn en dat zou niet goed zijn voor het Fresh Park Venlo of onze Telersvereniging ZON. We hebben een partner gevonden in Hines, een Amerikaanse vastgoedontwikkelaar. Royal ZON blijft in deze transitie eigenaar van de grond van het Fresh Park Venlo, waar we jaarlijks erfpacht voor ontvangen. Daardoor zijn onze inkomsten gegarandeerd en wordt het park beter ontwikkeld. We zijn tevreden met de deal en er van overtuigd dat de continuïteit van het park gewaarborgd wordt. Zoals je in het jaarverslag kunt zien, had ZON het geld niet direct nodig.”

Wat is de grootste uitdaging voor de sector?
“De vergrijzing en consolidatie, maar ook de toenemende eisen van de maatschappij en de overheid. Zoals het ministerie bijvoorbeeld aanstuurt op een circulaire economie. Het valt me in de landbouwvisie van minister Schouten op dat de technologie daarbij als eerste exportproduct genoemd wordt en het product als laatste. Daar ben ik het niet mee eens. Het start bij de productie en ik zie niet in waarom we daarmee zouden moeten stoppen. Nederland heeft een lange geschiedenis opgebouwd als betrouwbare producent en exporteur van groenten en fruit. Ik heb wel eens het idee dat niet iedereen begrijpt dat de productie zoals we die in Nederland hebben een belangrijk onderdeel zijn van de technologische ontwikkeling. De productie volgt en stimuleert de ontwikkeling. Dat hoort bij elkaar. Ik denk dat wanneer we het Nederlands areaal terugbrengen naar een niveau waarbij we alleen voor onze binnenlandse markt produceren, de technologie uit ons land verdwijnt. Veredelaars en kassenbouwers vestigen zich hier vanwege de grote productie. Dat geldt voor veel grote producenten. Heinz produceert alle tomatenketchup in Elst. Unilever en Danone hebben ook grote fabrieken in Nederland. Waarom? Omdat we een geweldige landbouwsector hebben. Die samenhang is belangrijk en ik vrees dat het belang van een sterke primaire sector onvoldoende gezien wordt.” 

Dit artikel verscheen eerder in editie 12, 32e jaargang van Primeur. Zie hiervoor www.agfprimeur.nl.

Voor meer informatie:
Royal ZON
www.royalzon.com 
info@royalzon.com 


Publicatiedatum :
Auteur:
©


print   

Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© GroentenNieuws.nl 2019

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven