Martin Scherpenhuizen:

“Onze mensen zijn ons grootste bezit"

Tholen - Voor Martin Scherpenhuizen is de naam ‘cowboy van de sector’ een geuzennaam. “Ik hoop dat we dat nog een beetje in ons hebben,” vertelt hij. Het bedrijf groeide de afgelopen twintig jaar razendsnel en in 2017 werd nog een nieuw pand in gebruik genomen. Vakblad AGF Primeur blikte terug op 2018, het eerste jaar in één van de duurzaamste panden van Nederland. Martin vindt het belangrijk om goed voor het personeel te zijn, daar investeert hij in. Daarnaast is het zijn persoonlijke missie om de consumptie van groenten en fruit te verhogen.

Ruim een jaar geleden betrokken jullie het nieuwe pand. Hoe kijk je terug op het afgelopen jaar?
“Het begin was troubling, dat vond ik tegenvallen. Je komt bijna in een paradijs terecht in het nieuwe, duurzame pand met de juiste lichtinval, een goed klimaat en alles is fantastisch mooi. De eerste weken ging het allemaal goed, maar we gingen al snel het seizoen in en dan zie je dat het niet allemaal zo is als het lijkt. De loopafstanden en rijafstanden zijn bijvoorbeeld twee keer zo lang, waardoor de batterijen van de elektrokarren eerder leeg waren. Ook de mensen moeten wennen aan de veranderingen. We hadden wat kleine aanloopproblemen en als je dan direct het seizoen in getrokken wordt, valt het tegen. Dat kwam ook doordat de oplevering was opgeschoven en we dichter bij het seizoen waren toen we het nieuwe pand in gebruik namen. Het was toen snel Pasen, waarbij veel Poolse medewerkers naar huis willen, dus dan krijg je alles tegelijk.”

“Voor de zomervakantie ging het lopen en zag je dat de mensen de processen beter aanvoelden. Sindsdien ben ik tevreden over hoe het loopt en ook over hoe we het opgepakt hebben in de eerste maanden. We hebben een aantal medewerkers die al bij ons werkten toen we nog met 30 man zaten. Die hebben in de afgelopen jaren meerdere verhuizingen meegemaakt en met elke verhuizing, verandert ook de managementstructuur. 1997, met de oprichting van VDN, tegenwoordig Van Nature, en het inzetten van de achterwaartse samenwerking vormde een kantelpunt. Sindsdien zijn we elk jaar met 10 tot 20 procent gegroeid. Een bedrijf met 30 mensen is iets heel anders dan een bedrijf met meer dan 100 en inmiddels zelfs 500 mensen. Dan moet er meer aandacht komen voor de processen. We hebben nu zes directieleden en een laag middelmanagement.”

Hoe zorg je er voor dat het personeel betrokken blijft?
“We zijn een familiebedrijf, dat is onze kracht. Het zit niet in de stenen of de wielen, maar in de mensen die het doen. Dat is voor ons echt een kernwaarde als familiebedrijf. Het is heel belangrijk dat ook als je groeit je oog hebt dat we het niet in de eerste plaats voor onszelf doen, maar voor de klant en de teler.”

Hoe doe je dat concreet?
“Door de mensen consequent op de agenda te zetten voor elk overleg. Ik vind het belangrijk om te weten wat de mensen vinden. Snappen ze nog wat we doen en waarom we dat doen? Tijdens het seizoen van april tot oktober komt dat er niet altijd optimaal van, maar tussen oktober en maart hebben we daar meer tijd voor. Die tijd moeten we benutten. Als je met het bedrijf elke vijf jaar in omzet verdubbelt, dan komt het bedrijf in een nieuwe fase. Dat heeft gevolgen voor de mensen die er werken. Als je de druk op de arbeidsmarkt ziet, is het zeker van belang om goed voor de mensen te zorgen en dat wordt alleen maar belangrijker.”

Jullie hadden het imago cowboys van de sector te zijn, is daar nog iets van over?
“Ik hoop het wel. Je wilt eigenlijk altijd zo blijven. Een cowboy initieert dingen, ziet kansen en benut die, hij is een eigenzinnige  ondernemer met een vrije geest. We zijn ondertussen wel dermate groot dat je het op een andere manier aanpakt. Als je alleen al kijkt naar de certificeringen die we hebben en de transparantie ook naar de telers, vraagt dat een solide aanpak. Ik hoop wel dat het altijd een beetje in ons blijft zitten. Je herkent het ook bij andere bedrijven waar we zaken mee doen. Niet iedereen heeft dezelfde stijl, maar dat is ook goed.”

Hoe kijk je als exporteur naar de Brexit?
“Ik denk dat het voor ons als bedrijf op korte termijn een neutraal effect heeft. Als groot exportbedrijf hebben we een AEO-certificaat en hebben we ervaring met de douane-afhandelingen. Daarom denk ik dat we beter dan wie ook in staat zullen zijn om dit te organiseren. Daar komt bij dat de Britten toch moeten blijven eten. Op de lange termijn zal het voor de BV Nederland niet goed zijn. Het stimuleert de Britten om zelf te produceren en het chauvinisme is groot. Local-for-local, zoals dat ook in Duitsland speelt, wordt sterker bij de Brexit. Na een harde Brexit komen we allemaal in een moeras terecht, maar wij zijn in staat om in dat moeras onze weg te vinden. Ik ben niet bang dat het onze eigen concurrentiepositie of onze positie in de markt zal beschadigen, maar voor de Nederlandse tuinbouw is het niet goed en dus ook niet voor ons.”

Is local-for-local een trend die door gaat zetten, ook in andere Europese landen?
“Zolang de vraag van de consumenten daar is, zal de trend doorzetten. Je ziet alleen ook dat grote supermarkten niet bij de trend kunnen aanhaken, omdat de lokale volumes er niet zijn. Je hebt niet 1-2-3 lokale productie. De Nederlandse kassen staan er, dus zal het product zijn weg vinden naar de grote Europese supermarkten. En er zal altijd een disbalans blijven tussen vraag en aanbod. Ik vraag me ook af hoe de consument reageert op de prijsverschillen. Voor Duitse trostomaten heb ik wel eens een kostprijs van 1 euro per kilo gehoord, terwijl deze voor de Nederlandse trostomaten op 60 tot 70 cent per kilo ligt. Als door slechte marktomstandigheden de prijs voor Nederlandse tomaten zelfs nog beduidend lager uitkomt, ben ik benieuwd hoe het dan verder gaat met de uitbreiding van local-for-local.”

“De Nederlandse tuinbouw gaat ook niet verdwijnen. We lopen voorop als het om nieuwe technieken gaat. Kijk alleen al naar de projecten met warmtekrachtcentrales, aardwarmte en de uitwisseling van kennis tussen bedrijven. Dat gaat niet verdwijnen. Het kan natuurlijk dat Nederlandse telers ook naar het buitenland gaan. Daar zijn al voorbeelden van. In Nederland hebben we toch het cultuurtje dat we het altijd voor elkaar krijgen.”

De laatste jaren is jullie assortiment breder geworden, waar ligt jullie specialisme?
“We zijn groot in de traditionele Nederlandse kasgroenten: tomaten, paprika, komkommer en aubergines. Daarnaast hebben we in het hardfruit en vooral in de peren een sterke groei. De laatste jaren zien we ook de vollegrondsgroenten aanhaken en zijn we begonnen met overzeese import. Supermarkten centraliseren de inkoop steeds meer bij totaalleveranciers. Vroeger dachten we dat we jaarrond moesten kunnen leveren en ook Spaans product moesten regelen. Je ziet dat de Europese supermarkten al jaren zelf naar Spanje gaan om in te kopen. De retail bundelt stromen meer. Wij zijn een Nederland leverancier, supermarkten doen dan al het Nederlands product via ons. Daar valt ook steeds vaker de import onder, omdat veel via Rotterdam Europa binnenkomt. We doen bijvoorbeeld ook mango, avocado, druiven, citroenen en meloenen.”

Importeren jullie de producten zelf?
“In eerste instantie doen we de Nederlandse producten. De overzeese producten zijn daar bij gekomen, ook om de wintermaanden te overbruggen. In het buitenland zie je, net als in Nederland, dat telers de afzet bundelen of dat grote telers zelf exporteren. De vraagstukken voor het vermarkten zijn niet heel anders dan voor Nederlands product. Telers zoeken net zo goed de kortste lijn naar de eindklant en transparantie over de kosten en de prijs.”

Is de import alleen op vraag van klanten of zijn jullie ook actief op zoek naar nieuwe producten?
“Het is een combinatie. We laten ons sturen door de vraag van klanten, maar we ondernemen zelf ook als we een kans zien. Zo ontstaan vaak dingen. Eerder dit jaar hebben we een aantal weken het volledige overzeese programma van een discounter in Europa gedaan. Dat betekende 70 tot 80 containers per dag die binnenkwamen. Dat is goed gegaan. We worden ook benaderd door partijen in het buitenland die afzet zoeken. Dat is wat ondernemen is. Het begint met een kans zien.”

Waarom is Scherpenhuizen niet gevestigd op een handelscentrum?
“We zaten vroeger op Veiling Veldhoven, maar voor ons heeft het geen enkele toegevoegde waarde om op een handelscentrum te zitten. Alle lijnen zijn tegenwoordig rechtstreeks. De veiling was een manier om producten te verzamelen, maar dat is niet meer. De functie van een handelshuis is meer crossdocking geworden en steeds minder het orderpicken. Er worden veel meer volle pallets gedaan en daar waar transport rechtstreeks kan, doe je dat. We rijden alleen met volle wagens en Eindhoven is dan logistiek gezien de beste optie: dicht bij Aken/Maastricht, Arnhem en Antwerpen. De lijn Eindhoven – Tilburg – Breda is volgens mij logistiek gezien de ideale locatie voor crossdocking.”

Hebben jullie veel last van files?
“Zonder meer. Zeker op het traject Eindhoven – Tilburg loopt de weg steeds voller, maar het is geen groot probleem. Het is meer lastig. We moeten op andere tijden gaan rijden, dan komt het goed. Maar ook hiervoor zijn we goed in staat om het te organiseren.”

Hoe is de logistiek georganiseerd?
“We hebben 25 eigen vrachtauto’s en dat aantal zullen we iets uitbreiden. Daarnaast werken we met vaste transporteurs die we inhuren op basis van volle auto’s. Daardoor hebben we zelf de regie in handen en weten we welke klant in welke auto geladen is en waar die vracht zich bevindt. Het maakt niet uit wie de eigenaar is van de vrachtauto, maar door de grootschaligheid hebben we volle auto’s en kunnen we het transport zelf coördineren en de route bepalen. Voor de efficiëntie is volume erg belangrijk. Ons pakstation is een belangrijke toegevoegde waarde. Daar komt veel maatwerk voor klanten bij kijken.”

Het nieuwe pand is duurzaam gebouwd. Betaald zich dat terug?
“Niet direct. Er is geen klant die meer betaalt, omdat wij een duurzaam pand hebben. Wij investeren in duurzaamheid omdat we daar zelf in geloven en voor de mensen. De extra kosten betalen zich terug in de uitstraling en het werkplezier. Voor de uitstraling en het vertrouwen is het wel goed. Klanten zien dat we bewust bezig zijn met het milieu en onze omgeving. Dat blijkt ook uit de sponsering van sportclubs in de omgeving. Hoe we omgaan met onze mensen is het belangrijkst. De mensen moeten zich happy voelen in het bedrijf. We hebben een tuin aangeplant voor het bedrijf, waardoor het er in het voorjaar en in de zomer mooi uitziet. Dat is een hele andere belevenis en mensen kunnen in de pauze buiten zitten. Je moet een balans zoeken tussen duurzaam ondernemen en de kosten.”

Hoe gaan jullie om met de krapte op de arbeidsmarkt?
“Het is een moeilijke markt, maar we zijn er goed in geslaagd om meer mensen aan te nemen. Ook voor het transport lukt het om nieuwe mensen aan te trekken. De HR-manager schuift bij ons aan bij het directieoverleg. Als ik dan hoor hoe we in staat zijn om zoveel vacatures in te vullen, dat is onwaarschijnlijk. We worden zelfs gebeld door chauffeurs die ons pand of onze vrachtwagens hebben zien rijden en vragen of we werk voor ze hebben. Ik denk dat het toch door de uitstraling van het bedrijf komt. Ik zeg altijd het zijn niet de wielen en de stenen die het bedrijf maken, maar blijkbaar stralen die toch iets uit van de mensen die het werk doen.”

Het wordt ook steeds lastiger om seizoensmedewerkers te vinden, hoe gaan jullie daar mee om?
“Het nadeel van deze regio is dat de gemeente moeizaam meewerkt om in huisvesting voor deze mensen te voorzien, maar we hebben ze wel nodig. Daarom investeren we zelf in huisvesting, waarbij we hen onderbrengen in goede huizen voor 4 tot 6 personen. Dat is belangrijk want je kunt alleen de juiste mensen binnenhalen als ze buiten het werk ook gelukkig zijn. De stroom arbeidsmigranten wordt kleiner, dus moet je investeren om de kwaliteit en flexibiliteit te behouden. We zoeken naar huisvesting in een straal van 5 kilometer rond het bedrijf, zodat ze met de fiets kunnen komen.”

Wie uit de sector is een voorbeeld voor je geweest?
“Mijn vader, die het bedrijf in 1973 startte. Maar ook de iconen van vroeger uit de veilingbanken. Ik heb zelf in de banken in Veldhoven en Breda gezeten. In Veldhoven zat bijvoorbeeld Huub van der Staak, dat was een icoon in die tijd. Als hij op de knop ramde, dan schudde de hele veilingbank. Teus den Hollander en Cor van der Spijk zijn ook echte authentieke handelaren uit die tijd. Sinds 1997, na de oprichting van VDN, is er veel meer kennisuitwisseling tussen handelshuizen gekomen en hebben we veel van elkaar geleerd. Tegenwoordig heb je een aantal prominente telers en telersorganisaties die vanuit een bepaalde benadering naar de markt gaan.”

Wat is de grootste uitdaging voor de sector?
“De consumptie van groenten en fruit vergroten, dat is ook mijn persoonlijke uitdaging. De gezonde producten onder de aandacht brengen, zoals we dat bijvoorbeeld doen met de maaltijdpakketten. Daar spelen we zelf ook op in met de verspakketten, waarbij we kruiden en sauzen bij de groenten en fruit leveren. In ons pakket voor curry madras zitten zo’n acht ingrediënten en in totaal 1.200 gram product. De consument hoeft er weinig aan te doen, want het staat in 15 tot 20 minuten op tafel. Ik hoop dat we dit verder kunnen uitbreiden en meer mensen kunnen aansporen om zelf te koken.”

“Verspakketten zijn nu nog meer een serviceartikel, want het is moeilijk om het rendabel te krijgen, maar het heeft veel mogelijkheden naar de toekomst. Ik las in een artikel dat het marktaandeel van de maaltijdboxen onder druk staat door de soep- en maaltijdpakketten. Het erwtensoeppakket is een van de hardlopers in deze categorie. De maaltijden zijn echt lekker en het is heel simpel te bereiden.”

Automatisering is voor deze pakketten geen optie?
“Wat je kunt automatiseren moet je doen, maar voor de verspakketten is het nog veel handwerk. De pakketten zijn nooit precies hetzelfde en we hebben een tiental verschillende pakketten in het assortiment. Volgend jaar komen daar nog zeker tien nieuwe pakketten bij. De markt kent veel pieken en dalen. Niks is zo grillig als de bestellingen voor de verspakketten. Als het vandaag koud is, lopen de erwtensoeppakketten hard, maar als het warmer is, dan lopen die pakketten minder goed. Dat kun je niet mechaniseren. Wij hebben het grootste onafhankelijke pakstation in Nederland, dus als iemand het zou kunnen, zijn wij het. De ingrediënten in de pakketten zij het meest vers, want alles komt direct bij de telers vandaan. Versheid is cruciaal. Een pakket met slecht product is killing voor een jonge categorie.” 

Dit artikel verscheen eerder in editie 12, 32e jaargang van Primeur. Zie hiervoor www.agfprimeur.nl.

Voor meer informatie:
Scherpenhuizen
www.scherpenhuizen.nl 
info@scherpenhuizen.nl  

Martin Scherpenhuizen
m.scherpenhuizen@scherpenhuizen.nl  


Publicatiedatum:
Auteur:
©


print   

Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


© GroentenNieuws.nl 2019

Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven