LEI onderzoekt hoe innovaties in land- en tuinbouw kunnen worden gemeten

Er wordt van overheidswege veel geld besteed aan het ontwikkelen en verspreiden van nieuwe kennis en technologie in de land- en tuinbouw. In opdracht van het ministerie van LNV heeft het LEI onderzocht hoe innovatie in de land- en tuinbouw kan worden gemeten. Vroeger werd daarvoor met name naar de input gekeken, in de vorm van uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling. Tegenwoordig worden veel vaker ook de output en het proces in kaart gebracht, door bijvoorbeeld te registreren of een bedrijf nieuwe producten op de markt heeft gebracht of nieuwe procestechnologie in gebruik heeft genomen. Het LEI houdt al enkele jaren een enquête onder boeren en tuinders waarin naar het innovatiegedrag van de ondernemers wordt gevraagd. Een deel van het onderzoek betreft de rapportage van een aantal resultaten van deze enquête over de afgelopen jaren.



Innovatie is deels een autonoom proces dat uit ondernemerschap voortkomt en dat wordt beïnvloed door kansen en bedreigingen die uit de markt en technologische ontwikkelingen voortkomen. In een ideale wereld bestaat er geen behoefte aan overheidsingrijpen. Echter, niet alle markten werken perfect en in sommige gevallen is het wenselijk dat de overheid in het algemeen belang bepaalde zaken stimuleert. Zo ook met innovatie en kennisverspreiding. De overheid geeft daarom bijvoorbeeld subsidie op speur- en ontwikkelingswerk, ondersteunt bij het laten uitvoeren van haalbaarheidsstudies en stimuleert innovaties die publieke doelen zoals het milieu bevorderen.

De manier waarop bedrijven informatie vergaren, delen en innoveren heeft ook implicaties voor de manier waarop de overheid innovatie stimuleert. Het OVO-drieluik, waarbij taken van onderwijs, voorlichting en onderzoek op elkaar zijn afgestemd met als doel om de land- en tuinbouw vooruit te helpen, is grotendeels voorbij. Overheidsvoorlichting in de landbouw heeft een lange geschiedenis, maar het OVO-drieluik was vooral geschikt voor de na-oorlogse periode, waarin er veel kleine bedrijven waren en het beleid gericht was op een zo efficiënt en zo groot mogelijke voedselproductie.

Tegenwoordig is er veel meer diversiteit in de bedrijven en lopen belangen vaker uiteen. De overheid zet nu ook andere instrumenten in en mede als gevolg daarvan ontstaan netwerken en andere kennisarrangementen. Voorheen zorgde het OVO-drieluik voor de juiste overlegstructuur en informatievoorziening. Nu is het veeleer aan de afzonderlijke partijen om voldoende interessant te zijn om in de relevante netwerken te mogen participeren. Wanneer vastgesteld is dat hierbij een rol voor de overheid is weggelegd, zijn voor de diverse sectoren en beleidsthema’s vaak meerdere opties voorhanden. Moet de overheid bijvoorbeeld vooral belastinggeld inzetten op de voorkant van het innovatieproces (het ontwikkelen van innovaties) of op de achterkant (het faciliteren van kennisverspreiding)? Om dit soort vragen preciezer te kunnen beantwoorden is de komende jaren nog veel effectmeting en een uitgebreide monitoring noodzakelijk.

Klik hier het LEI-rapport

Publicatiedatum:



Ook onze nieuwsbrief ontvangen? | Klik hier


Ander nieuws uit deze sector:


Schrijf je in voor onze dagelijkse nieuwsbrief om al het laatste nieuws direct per e-mail te ontvangen!

Inschrijven Ik ben al ingeschreven